Defensie-industrie
De defensie-industrie van de EU speelt een sleutelrol bij het verzekeren van de veiligheid en de strategische autonomie van de Unie. Ze draagt ook bij aan het concurrentievermogen en de groei. De Europese defensiesector heeft echter lang te kampen gehad met structurele zwakheden, waardoor de sector niet in staat was om in het vereiste tempo defensie-uitrusting te produceren. Met het oog op de toenemende geopolitieke spanningen heeft de EU het thema defensie bovenaan haar agenda geplaatst. Ze wil de defensie-industrie responsiever, innovatiever, competitiever en veerkrachtiger maken.
Rechtsgrond
De EU-initiatieven voor de defensie-industrie zijn gebaseerd op artikel 173 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) met betrekking tot het industriebeleid van de EU. Daarnaast vormt artikel 182 van het VWEU de rechtsgrondslag voor defensiegerelateerd onderzoek en technologische ontwikkeling.
In tegenstelling tot andere sectoren bestaat er geen echte eengemaakte markt voor defensie-uitrusting. De lidstaten hebben regelmatig gebruik gemaakt van artikel 346 van het VWEU om bepaalde defensiegerelateerde industrieën en maatregelen vrij te stellen van de regels inzake de eengemaakte markt van de EU wanneer zij dit noodzakelijk achtten voor de bescherming van hun wezenlijke veiligheidsbelangen.
Doelstellingen
De Europese defensie-industrie is een essentieel onderdeel van de defensiegereedheid en van een geloofwaardige afschrikkingsstrategie van de Unie. De sector levert ook een belangrijke bijdrage aan economische groei, concurrentievermogen, innovatie en werkgelegenheid. Het EU-beleid op dit gebied heeft tot doel de productiecapaciteit van de defensie-industrie te vergroten, meer te investeren, de toegang tot financiering te verbeteren, het concurrentievermogen en de innovatie te versterken, en onderzoek te stimuleren. De EU wil ook de samenwerking tussen defensiebedrijven in heel Europa verbeteren om hun productiecapaciteit te vergroten, schaalvoordelen mogelijk te maken, de kosten te verlagen en een echte eengemaakte markt voor defensie-uitrusting tot stand te brengen.
Resultaten en actuele ontwikkelingen
A. Het defensie-industriebeleid van de EU sinds het begin van de jaren 2000
1. De totstandbrenging van een Europese markt voor defensie-uitrusting
In september 2004 presenteerde de Commissie het Groenboek overheidsopdrachten op defensiegebied om zo een bijdrage te leveren aan de geleidelijke totstandbrenging van een Europese markt voor defensie-uitrusting. Het groenboek maakte deel uit van de strategie van 2003 “Naar een EU-beleid voor defensie-uitrusting”. Het doel daarvan was een efficiënter gebruik van de middelen op defensiegebied en een verbetering van de concurrentiepositie van de industrie in Europa. Daarnaast werd gestreefd naar verbeteringen in de militaire uitrusting binnen de context van het Europese veiligheids- en defensiebeleid.
In 2007 kwamen de lidstaten overeen om de ontwikkeling van een Europese technologische en industriële defensiebasis te versterken aan de hand van een specifieke strategie. In juli 2006 ging het intergouvernementeel regime ter bevordering van de concurrentie op de Europese markt voor defensie-uitrusting van start. Dit vrijwillige intergouvernementele regime functioneert op basis van de gedragscode voor overheidsopdrachten op defensiegebied van november 2005 en wordt ondersteund door een rapportage- en controlesysteem ter waarborging van de transparantie en verantwoordingsplicht van de lidstaten. Een ander belangrijk element is de gedragscode inzake beste praktijken in de voorzieningsketen van mei 2005.
De standaardisering van defensie-uitrusting is belangrijk voor het integreren van nationale markten. Dankzij de lancering van een portaal voor een Europees referentiesysteem voor defensienormen (EDSTAR) in 2012 konden er stappen gezet worden naar standaardisering. EDSTAR is er gekomen na de totstandbrenging van het Europees informatiesysteem voor defensienormen. Dit is een portaal voor verdere Europese standaardisering van defensiematerieel, gericht op bekendmaking van materieelnormen die moeten worden ontwikkeld of substantieel moeten worden gewijzigd.
De Commissie nam in juli 2013 een mededeling aan met een actieplan ter verbetering van de efficiëntie en het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie. In de mededeling werd de instelling aangekondigd van een markttoezichtmechanisme voor overheidsopdrachten op defensiegebied.
2. Overheidsopdrachten op defensiegebied en overdracht van defensieproducten binnen de EU
Door middel van de richtlijn betreffende de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de EU (Richtlijn 2009/43/EG) en de richtlijn betreffende overheidsopdrachten op defensie- en veiligheidsgebied (Richtlijn 2009/81/EG) heeft de EU relevante richtsnoeren vastgesteld om op dit gebied een EU-kader te creëren.
Met Richtlijn 2009/43/EG werden de voorwaarden en procedures voor overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de EU vereenvoudigd en geharmoniseerd. Deze richtlijn heeft een uniform en transparant systeem van (algemene, globale en individuele) vergunningen tot stand gebracht en heeft bedrijven die als betrouwbaar worden beschouwd in staat gesteld overdrachten te verrichten in het kader van algemene vergunningen. De bedoeling was dat individuele vergunningen een uitzondering zouden vormen en beperkt zouden blijven tot duidelijk gerechtvaardigde gevallen.
Met Richtlijn 2009/81/EG zijn regels voor overheidsopdrachten op defensiegebied ingevoerd, waardoor ondernemingen op defensiegebied gemakkelijker toegang kunnen krijgen tot de defensiemarkt in andere lidstaten. Deze richtlijn voorziet in een onderhandelingsprocedure met voorafgaande bekendmaking als standaardprocedure en daarmee in meer flexibiliteit, specifieke regels inzake beveiliging van gevoelige informatie, clausules over de leveringszekerheid en bijzondere regels over onderaanneming. De lidstaten kunnen evenwel contracten op het gebied van defensie en veiligheid uitzonderen indien dit nodig is voor de bescherming van hun essentiële veiligheidsbelangen (artikel 346 VWEU).
3. Het Europees Defensieagentschap
Het Europees Defensieagentschap (EDA) werd in juli 2004 bij gemeenschappelijk optreden van de Raad van Ministers opgericht om defensievermogens te ontwikkelen, de Europese samenwerking op het gebied van bewapening te bevorderen en te versterken, de Europese technologische en industriële defensiebasis te versterken, een internationaal concurrerende Europese markt voor defensie-uitrusting tot stand te brengen en de doeltreffendheid van Europees defensieonderzoek en Europese defensietechnologie te vergroten. Het gemeenschappelijk optreden van 2004 werd in juli 2011 eerst vervangen door een besluit van de Raad en vervolgens in oktober 2015 herzien door Besluit van de Raad betreffende het statuut, de zetel en de voorschriften voor de werking van het EDA.
4. Europees defensieonderzoek en het Europese Defensiefonds
Ondanks de pogingen om een gemeenschappelijk kader voor een Europees defensiebeleid tot stand te brengen, zijn de uitgaven voor het Europese defensieonderzoek in zijn geheel sinds 2006 sterk gedaald en pas de afgelopen jaren weer gaan stijgen. In 2015 kwamen de lidstaten overeen geleidelijk over te stappen van onderzoek dat uitsluitend gericht is op civiel en tweeërlei gebruik in Horizon 2020, naar een specifiek Europees onderzoeksprogramma voor defensie, als onderdeel van het Europees Defensiefonds (EDF).
Het EDF is het belangrijkste instrument van de EU om onderzoek en ontwikkeling op defensiegebied te ondersteunen. Het werd op 1 januari 2021 operationeel, met een totale overeengekomen begroting van bijna 8 miljard EUR voor de periode 2021-2027 (Verordening (EU) 2021/697). De belangrijkste doelstellingen zijn het bevorderen van samenwerking tussen bedrijven, waaronder kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) en onderzoeksactoren in de hele Unie. Het streeft er ook naar om de ontwikkeling van defensiecapaciteit te stimuleren door middel van investeringen en om EU-bedrijven te helpen bij de ontwikkeling van geavanceerde en interoperabele defensietechnologieën en -uitrusting.
Het EDF werd voorafgegaan door twee testprogramma’s: de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek en het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie.
B. Een nieuw tijdperk voor het defensie-industriebeleid van de EU
In 2021 begon de EU met een analyse van de toekomst van de Europese veiligheid en defensie. Dit proces heeft geleid tot de totstandbrenging van het strategisch kompas, een beleidsdocument met een actieplan voor de versterking van de veiligheids- en defensiestrategie van de EU tegen 2030.
Met het begin van de Russische aanvalsoorlog tegen Oekraïne in februari 2022 brak een nieuw tijdperk aan voor het Europese defensiebeleid. De oorlog bracht belangrijke uitdagingen met zich mee wat betreft de gereedheid van de defensie-industrie van de EU. Als reactie daarop werden in 2022 op EU-niveau verschillende maatregelen getroffen.
- Zo publiceerde de Commissie in februari een routekaart voor kritieke technologieën voor veiligheid en defensie.
- In maart herzag de Raad het strategisch kompas grondig om rekening te houden met de destabilisatie van de Europese veiligheidsorde en de daaruit voortvloeiende wijziging van het standpunt, de ambitie en de instrumenten van de EU op het gebied van defensie (zie infopagina 5.1.2).
De gezamenlijke mededeling van 2022 over de lacunes op het gebied van defensie-investeringen en het nog recentere rapport-Draghi van 2024 over de toekomst van het Europese concurrentievermogen toonden aan dat langdurige onderinvestering en gebrek aan samenwerking hebben geleid tot kritieke lacunes op het gebied van defensievermogens en een gefragmenteerde Europese defensie-industrie en -markt. De productiecapaciteit is erg laag en de lidstaten moeten vaak defensie-uitrusting buiten de EU aankopen.
In de loop van 2023 werden twee kortetermijnmaatregelen genomen om tekorten aan te pakken: het instrument voor de versterking van de Europese defensie-industrie door middel van gemeenschappelijke aanbestedingen (Edirpa) met het oog op het stimuleren van gemeenschappelijke aanbestedingen op defensiegebied tussen de lidstaten en de verordening betreffende de ondersteuning van de productie van munitie (ASAP) voor het opvoeren van de productie van munitie en raketten.
In maart 2024 presenteerde de Commissie de allereerste strategie voor de Europese defensie-industrie. Met deze strategie wordt gestreefd naar een verhoging van de defensie-uitgaven, verbetering op het gebied van gezamenlijke aanbestedingen, versterking van de interoperabiliteit tussen de Europese strijdkrachten en van de samenwerking met Oekraïne. Een belangrijke maatregel in dit verband is het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een programma voor de Europese defensie-industrie (EDIP) ter waarde van 1,5 miljard EUR, waarmee het concurrentievermogen van de industrie en defensie op lange termijn wordt ondersteund.
In de eerste helft van 2025 stelde de Commissie drie belangrijke initiatieven voor om de gereedheid en investeringen op defensiegebied te vergroten.
1. Het gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030, dat werd voorgesteld in maart 2025, tilt het defensiebeleid van de EU naar een nieuw niveau met het oog op de toenemende dreigingen en veiligheidsuitdagingen. Er worden verschillende maatregelen voorgesteld om de Europese defensie-industrie te consolideren:
- het versterken van de industriële capaciteit in de hele EU;
- het veiligstellen van de levering van kritieke industriële inputs en verminderen van de afhankelijkheid;
- het totstandbrengen van een echte eengemaakte EU-markt voor defensie-uitrusting;
- het vereenvoudigen van de bestaande regels en verminderen van de bureaucratische lasten;
- het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling om innovatie te bevorderen;
- het behouden, aantrekken en ontwikkelen van talent om de vaardigheden en expertise in de defensiesector te verbeteren.
2. In het kader van het ReArm Europe-plan, later omgedoopt tot “Readiness 2030”, werden financiële instrumenten ingevoerd om investeringen te stimuleren door:
- de nationale ontsnappingsclausule van het stabiliteits- en groeipact te activeren, waardoor de lidstaten hun defensie-uitgaven kunnen verhogen; en
- de lancering van het SAFE-instrument — Optreden voor de veiligheid van Europa (SAFE) — dat voorziet in 150 miljard EUR aan leningen om landen te helpen investeren in belangrijke defensiegebieden.
3. Het zogeheten “mini-omnibuspakket inzake defensie” moet het gemakkelijker maken om ook bestaande EU-middelen in te zetten voor de versterking van de defensie-industrie van de EU.
In navolging van het witboek bevat de routekaart voor defensiegereedheid 2030, die in oktober 2025 werd gepubliceerd, doelstellingen en mijlpalen om tegen 2030 defensiegereedheid te bereiken.
Op 5 november 2025 bereikten de Raad en het Europees Parlement een voorlopig akkoord over het mini-omnibuspakket. Een baanbrekend onderdeel van het akkoord is het besluit om Oekraïne te betrekken bij het Europees Defensiefonds, waardoor Oekraïne wordt geïntegreerd in de Europese technologische en industriële defensiebasis (EDTIB). Het akkoord omvat wijzigingen met betrekking tot vijf belangrijke EU-programma’s: het programma Digitaal Europa, het EDF, de Connecting Europe Facility, het platform strategische technologieën voor Europa (STEP) en Horizon Europa. Hierdoor wordt het mogelijk om in het kader van die programma’s te investeren in defensie en infrastructuur voor tweeërlei gebruik.
Rol van het Europees Parlement
In zijn resolutie van 10 april 2002 drong het Parlement aan op de oprichting van een Europees agentschap voor bewapening en op standaardisering op defensiegebied. In zijn resolutie van 17 november 2005 over het Groenboek overheidsopdrachten op defensiegebied moedigde het de inspanningen van de Commissie aan om bij te dragen tot de geleidelijke totstandbrenging van een Europese markt voor defensie-uitrusting.
In zijn resolutie van 22 november 2012 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) drong het Parlement erop aan dat de versterking van de Europese vermogens ook via consolidering van de Europese industriële en technologische defensiebasis zou verlopen.
In zijn resolutie van 21 november 2013 over de Europese technologische en industriële defensiebasis riep het Parlement op tot een sterkere Europese industriële samenwerking en wees het erop dat GVDB-missies via Europese O&O met behulp van het Horizon 2020-onderzoeksprogramma dienen te worden ondersteund.
In een resolutie van mei 2015 en een resolutie van april 2016 riep het Parlement op tot een doeltreffend en ambitieus Europees buitenlands en veiligheidsbeleid en drong het er bij de lidstaten op aan om beleidsdoelstellingen op te stellen gebaseerd op gedeelde belangen. In zijn resolutie van 22 november 2016 stelde het Parlement voor om met spoed een Europese defensie-unie op te richten.
In zijn resolutie van 25 maart 2021 over aanbestedingen op defensie- en veiligheidsgebied en overdracht van defensiegerelateerde producten verzocht het Parlement de Commissie de toegang van kmo’s tot financiering te verbeteren. Het verzocht de lidstaten eveneens de defensieaankopen en de samenwerking inzake onderzoek en ontwikkeling binnen de EU op te voeren en de interoperabiliteit tussen hun legers te vergroten.
In zijn resolutie van 1 maart 2022 over de aanval van Rusland op Oekraïne riep het Parlement op tot grotere bijdragen aan de versterking van de defensievermogens van Oekraïne. De lidstaten werd verzocht de levering van verdedigingswapens aan Oekraïne te versnellen om tegemoet te komen aan duidelijk vastgestelde behoeften.
In september 2023 nam het Parlement een standpunt aan over de voorgestelde verordening tot vaststelling van het Edirpa. Het Parlement bereikte een overeenkomst met de Raad waarin onder meer werd afgesproken dat het instrument in december 2025 zou eindigen in plaats van in 2024 en een begroting van 300 miljoen EUR zou hebben.
In zijn resolutie van 9 mei 2023 over kritieke technologieën voor veiligheid en defensie was het Parlement ingenomen met de oprichting van een waarnemingspost voor kritieke technologieën en benadrukte het de noodzaak om de afhankelijkheid van de levering van kritieke materialen te verminderen, investeringen in innovatie en ontwikkeling te bevorderen, prioriteit te geven aan gezamenlijke door de EU gefinancierde en medegefinancierde projecten en de financiering te verhogen.
In zijn resolutie van 12 maart 2025 over het witboek over de toekomst van de Europese defensie riep het Parlement op tot een eensgezinde en duidelijke langetermijnvisie voor de Europese defensie-industrie om ervoor te zorgen dat in prioritaire behoeften wordt voorzien. Het Parlement benadrukt ook het feit dat de capaciteiten moeten worden opgevoerd en de middelen verhoogd en dat er creatieve oplossingen moeten worden gevonden voor grootschalige overheids- en particuliere investeringen in veiligheid en defensie.
In de resolutie van 2 april 2025 over de uitvoering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid – jaarverslag 2024 wordt benadrukt dat de versnippering van de defensie-industrie in de EU moet worden tegengegaan om uiteindelijk een echte eengemaakte EU-markt voor defensieproducten tot stand te brengen.
Meer informatie over dit onderwerp vindt u op de website van de Commissie industrie, onderzoek en energie.
Anne Ploeger